'Vrijmoedig spreken' is juist niet vrij van moed
- jorritstevens
- 28 apr
- 11 minuten om te lezen
Er is iets geks aan de hand met 'vrijmoedig spreken', ofwel de Nederlandse manier om het Griekse parrhēsia (Oudgrieks: παρρησία) te benaderen. Het klinkt ruim, moedig en menselijk. Je ziet het woord makkelijk opduiken naast begrippen als openheid, tegenspraak en psychologische veiligheid in leiderschapsprogramma’s, verandertrajecten, bestuursdagen, heisessies en reflectieve gesprekken. Iedereen wil graag een open gesprek. Iedereen wil ruimte voor tegenspraak. Iedereen wil mensen die zich durven uitspreken.
Tot iemand het doet!
Dan blijkt vaak hoe smal die ruimte eigenlijk is. Zodra iemand iets zegt dat werkelijk raakt aan rollen, belangen, macht, reputatie of voordeel, verandert het gesprek. Ineens gaat het over toon, timing, vertrouwen en de vraag of iemand het niet wat constructiever had kunnen brengen. Het oorspronkelijke punt verdwijnt niet helemaal. Het wordt verplaatst: van inhoud naar stijl, van macht naar sfeer, van integriteit naar toon en van de vraag naar de persoon die de vraag stelt. Soms kan dat grote gevolgen hebben: verlies van positie, reputatie, toegang of vertrouwen.
Dat is een keurige manier om iemand het spreken te ontnemen zonder hem letterlijk het woord te verbieden. Niemand zegt: zwijg! Men zegt: kan het anders? En... weg is de onwelkome boodschap.
Wat Foucault met parrhesia bedoelde
Michel Foucault gebruikt het Griekse woord parrhesia voor een vorm van waarheid spreken waarbij de spreker risico loopt. Het gaat om spreken vanuit een persoonlijke verhouding tot waarheid, in een situatie waarin dat spreken gevolgen kan hebben voor de spreker zelf.

In Fearless Speech (Vrijmoedig Spreken) verbindt Foucault parrhesia met “courage in the face of danger” en met de moed “to speak the truth in spite of some danger” (Foucault, 2001, p. 16). Verderop vat hij parrhesia samen als een verbale activiteit waarin iemand zijn persoonlijke verhouding tot waarheid uitdrukt en “risks his life” omdat hij waarheid spreken als plicht ervaart (Foucault, 2001, pp. 19-20).
Dat laatste is belangrijk. Bij parrhesia zet iemand niet alleen een mening in, maar zichzelf. Soms letterlijk zijn leven. Vaker zijn plek, reputatie, relatie, opdracht, toegang, veiligheid of baan. Het kan gaan om de kans dat iemand boos wordt, dat een relatie breekt, dat een opdracht verdwijnt, dat een spreker als lastig bekend komt te staan, of dat die zijn plaats aan tafel verliest.
Dat betekent niet dat de spreker automatisch gelijk heeft. Iemand kan zich vergissen, overdrijven of zijn eigen verontwaardiging aanzien voor waarheid. Parrhesia is geen vrijbrief voor iedere felle mening. Het betekent dat iemand zich persoonlijk bindt aan wat hij als waar ziet, het risico van dat spreken draagt en de ander voor een lastige vraag stelt:
spreken we dit tegen omdat het niet klopt, of... omdat het ons niet uitkomt?
Dat maakt parrhesia zo ongemakkelijk. De spreker brengt niet alleen een punt in. Hij brengt zichzelf in gevaar binnen de orde die hij aanspreekt. Dat noopt tot een oprecht naar iets wat 'de bestaande orde' liever wil vermijden of het aanvaarden van een ongemakkelijke waarheid. Hij spreekt omdat zwijgen hem onwaarachtig zou maken en omdat hij waarheid spreken als plicht ervaart.
Vrijmoedig is een misleidend woord
Het Nederlandse woord vrijmoedig klinkt bijna te vriendelijk. Alsof iemand vrij, rustig en onbevangen iets zegt. Alsof vrijmoedigheid een soort ontspannen openhartigheid is.
Bij Foucault vraagt parrhesia juist moed. De spreker is geen mens zonder angst. Hij spreekt terwijl er reden is om bang te zijn. Dat maakt het spreken betekenisvol. Vrijmoedig spreken is spreken terwijl zwijgen veiliger zou zijn.
Daarom wordt het problematisch wanneer organisaties van parrhesia een werkvorm maken. Dan wordt een riskante waarheidshandeling ineens een begeleid gesprek. Een competentie. Een onderdeel van leiderschapsontwikkeling. Een mooie middag over moed.
'Gezellig parrhesia doen'. Even openhartig zijn met elkaar. Na afloop koffie. Iedereen kan naar huis met het gevoel dat er iets moedigs is gebeurd.
De echte vraag is veel scherper en niet te vatten in een workshopje: wat gebeurde er toen iemand iets zei dat werkelijk aan een rol, belang, netwerk of voordeel, zienswijze of zijnswijze raakte? Werd het punt onderzocht? Of werd de spreker besproken? Leidde het tot uitsluiting, ontslag of zelfs de dood?
Vier voorbeelden van parrhesia
Socrates
Socrates spreekt Athene aan op haar schijnweten. Hij ondervraagt burgers, bestuurders en machthebbers. Hij laat zien dat mensen vaak niet weten wat ze denken te weten. Dat doet hij niet vanaf een veilige positie. Zijn spreken brengt hem voor de rechtbank en kost hem uiteindelijk zijn leven.
De gifbeker is daarom niet alleen een dramatisch einde. Hij laat zien dat Socrates zijn spreken niet losmaakt van zijn leven. Hij trekt zijn woorden niet terug om zijn positie te redden. Hij vlucht niet uit de consequentie van wat hij heeft gedaan. In die zin wordt waarheid bij Socrates geen losse mening, maar een levensvorm.
Dat is precies waarom Socrates voor Foucault zo belangrijk is. Bij hem hoort waarheid spreken bij een manier van leven. Logos en bios, woord en leven, raken elkaar. Socrates laat zien dat waarheid spreken gevaarlijk wordt wanneer een gemeenschap zichzelf liever niet onderzoekt. De prijs van parrhesia is hier extreem: niet alleen reputatie, positie of toegang, maar het leven zelf.
Diogenes en de Cynici
Bij de Cynici wordt waarheid lichamelijker en ruwer. Diogenes spreekt met woorden, maar vooral ook met zijn manier van leven. Hij leeft op een manier die de nette orde belachelijk maakt. Zijn bestaan wordt een aanklacht tegen gemak, status, schijn en sociale conventie.
Foucault ziet in de Cynici een radicale vorm van waarheid spreken: de waarheid verschijnt als publieke provocatie en als schandaal van een leven dat niet meedoet met wat iedereen normaal vindt. In de colleges over The Courage of Truth (De Moed tot Waarheid) verbindt Foucault het cynisme met de moed om door een manier van leven de waarheid zichtbaar te maken (Foucault, 2011).
Dat is ook voor organisaties ongemakkelijk. Een organisatie kan prima zeggen dat zij openheid wil. Moeilijker wordt het wanneer iemand laat zien dat die openheid alleen geldt zolang niemand aan het bestaande 'normaal' komt, zoals bestaande voordelen, rollen of gewoonten. Dan volgt vaak uitsluiting als 'gek' of 'vervelend' of 'ongepast'.
De raadgever tegenover de vorst
Parrhesia speelt vaak in een ongelijke verhouding. Iemand spreekt waarheid tegen iemand die meer macht heeft. Een filosoof tegenover een vorst. Een burger tegenover de meerderheid. Een adviseur tegenover een bestuurder. Een professional tegenover een organisatie of systeem waar hij zelf ook van afhankelijk is.
Daar zit risico in. Degene met macht kan de spreker negeren, straffen, buitensluiten, belachelijk maken of wegzetten als lastig. Daarom is parrhesia nooit alleen communicatie. Het gaat ook over rang, positie, afhankelijkheid en moed.
Foucault maakt dat scherp wanneer hij parrhesia beschrijft als spreken waarin iemand zichzelf bindt aan de waarheid die hij uitspreekt. De spreker “tekent” als het ware persoonlijk voor wat hij zegt en neemt het risico dat de ander geïrriteerd, gekwetst of kwaad wordt (Foucault, 2011, p. 11). Maar daarin zit ook precies de waarde. Dat de aangesprokene een waarheid op het spoor kan komen waar hij eerder geen toegang tot had.
De hedendaagse organisatie
In organisaties ziet parrhesia er meestal niet uit als een Griekse rechtszaak of een cynische provocatie op straat. Het ziet er gewoner uit.
Iemand zegt in een overleg: klopt dit eigenlijk wel? Zijn we hier niet te snel vertrouwde routes aan het volgen? Is dit nog goed uit te leggen aan mensen die niet aan tafel zitten? Worden gemak, gewoonte en inhoud hier niet ongemerkt door elkaar gehaald?
Een organisatie hoeft de vrijmoedige spreker niet automatisch gelijk te geven. Soms is hij inderdaad te snel, te scherp of verkeerd geïnformeerd. Maar ook dan blijft de beslissende vraag: wordt zijn punt onderzocht, of wordt zijn ongemak gebruikt om zijn punt niet meer te hoeven onderzoeken?
De inkapseling van parrhesia
Organisaties hebben een groot talent voor het temmen van gevaarlijke woorden. Radicale begrippen worden opgenomen in programma’s, trainingen en gesprekken. Ze krijgen een nette plek. Ze worden hanteerbaar gemaakt.

Parrhesia wordt dan een houding, gespreksvorm, werkvorm, competentie, leiderschapskwaliteit of mooi woord voor openhartigheid. Daarmee verdwijnt het risico uit het begrip. Zonder risico blijft er weinig van parrhesia over.
Dan kan iedereen zeggen dat hij vrijmoedig spreken belangrijk vindt, zolang niemand iets zegt waardoor iemand zijn plek, gemak, voordeel of reputatie in het geding komt. Dat is de salonversie van parrhesia: mooi woord, weinig gevaar.
De meest pijnlijke vraag is misschien deze: wat als organisaties parrhesia en parrhesiastes (zij die vrijmoedig spreken) vooral uitnodigen op plekken waar zij haar al hebben ingekapseld? In een sessie, een programma, een veilige setting, met begeleiders en spelregels. Terwijl de echte parrhesia vaak verschijnt op het verkeerde moment, in een ongemakkelijk gesprek, bij een concreet belang, rond een echte naam, een echte rol en een echt voordeel en nadeel waar echt iets op het spel staat. Een onrecht misschien.
Daar wordt zichtbaar wat al die mooie woorden waard zijn.
Waarom vrijmoedig spreken ertoe doet
Vrijmoedig spreken heeft waarde, maar die waarde laat zich niet goed vangen in de taal van management en organisatie: opbrengst, effectiviteit of betere besluitvorming. Natuurlijk kan ongemakkelijke waarheid helpen om schade te voorkomen. Natuurlijk kunnen organisaties beter gaan kijken wanneer iemand zegt wat anderen nog inslikken. Maar zodra parrhesia vooral nuttig moet zijn, is zij alweer half ingekapseld.
De waarde van parrhesia ligt dieper. Zij bewaart de mogelijkheid dat iemand in een organisatie niet helemaal samenvalt met wat handig, gewenst, verstandig of carrièretechnisch veilig is. Iemand blijft aanspreekbaar op waarheid, ook wanneer de omgeving hem uitnodigt om mee te bewegen. Dat is geen instrument. Dat is een vorm van menselijke waardigheid.
Voor een organisatie is dat ongemakkelijk én kostbaar. Een organisatie zonder vrijmoedig spreken kan nog lange tijd soepel functioneren. De vergaderingen gaan door. De woorden blijven netjes. De plannen worden gemaakt. De sfeer lijkt beheersbaar. Toch kan er onder die gladheid iets verdwijnen: het vermogen om nog te merken dat men zichzelf iets wijsmaakt.
Als niemand vrijmoedig spreekt, wordt waarheid afhankelijk van wat past. Mensen leren dan feilloos aanvoelen welke zinnen veilig zijn, welke vragen beter kunnen wachten en welke waarnemingen beter in de wandelgang blijven. Zo ontstaat een organisatie die niet dom is, maar wel langzaam minder waarachtig wordt.
Dat is misschien het echte verlies. Niet dat een besluit een keer minder goed uitpakt. Niet dat een proces wat langer duurt. Het verlies is dat mensen leren hun eigen waarneming te wantrouwen of in te slikken. Zij blijven aanwezig, maar minder vrij. Zij spreken mee, maar niet meer helemaal. Zij worden professioneel, soepel en verstandig, en raken ondertussen iets kwijt.
Daarom is parrhesia geen luxe voor moeilijke mensen. Zij is een teken dat er in een organisatie nog iets levends aanwezig is. Iemand durft niet alleen bij te dragen aan het gesprek, maar ook de voorwaarden van dat gesprek ter sprake te brengen. Iemand zegt niet alleen wat er gezegd kan worden, maar waagt zich aan wat blijkbaar moeilijk of niet gezegd mag worden.
Daar begint de waarde voor leiders, bestuurders en adviseurs. Niet omdat vrijmoedig spreken 'handig' is - feedback is misschien handig. Maar omdat het laat zien of een organisatie nog in staat is waarheid te verdragen wanneer die niet op het juiste moment, in de juiste vorm en met de juiste toon verschijnt. Iemand zet niet voor niks zijn eigen positie of zichzelf op het spel.
Wie dat serieus wil onderzoeken, moet niet op zoek gaan naar een extra werkvorm. Maar die zoekt iemand die kan luisteren naar wat er in taal gebeurt voordat iedereen het “een goed gesprek” noemt, of voordat het ongemak wordt afgedaan als gek, onwenselijk of moeilijk omdat het buiten de bestaande orde valt.
De ontvanger heeft ook moed nodig
Foucault wijst op iets dat in organisaties vaak wordt vergeten. Parrhesia vraagt moed van degene die spreekt, maar ook van degene die luistert. In The Courage of Truth (De moed tot waarheid) zegt hij dat parrhesia de moed is van degene die de waarheid spreekt en het risico neemt, én de moed van de gesprekspartner die de pijnlijke waarheid aanvaardt (Foucault, 2011, p. 13).

Veel organisaties trainen mensen om zich uit te spreken. Maar trainen zij zichzelf ook om geraakt te worden door wat gezegd wordt? Zelfs bij relatief veel mildere gespreksvormen geldt dit: trainingen feedback geven zijn niet niet aan te slepen, feedback vragen en helemaal ontvangen wordt nauwelijks aangeboden.
De ontvanger kan zijn toevlucht nemen tot allerlei uitvluchten. Het is immers, per definitie, ordeverstorend binnen wat door de ontvanger(s) als 'normaal' wordt gezien. Zodra die woorden ervoor zorgen dat het punt zelf niet meer besproken wordt, gebeurt er iets anders. Dan wordt de waarheid omgeleid.
De moed van de ontvanger zit in een andere beweging. Eerst luisteren. Eerst vragen: wat als dit punt waar is? Wat als mijn irritatie niet alleen iets zegt over de spreker, maar ook over wat hij zichtbaar maakt? Wat als het ongemak niet uit zijn toon komt, maar uit de ordening die hij aanwijst?
Dat is hoe vrijmoedig luisteren en ontvangen kan beginnen.
Integriteit blijkt pas als het schuurt
Integriteit is geen zelfbeeld. Bijna iedereen heeft goede bedoelingen. Bijna niemand ziet zichzelf als onzorgvuldig of oninteger.
Integriteit blijkt niet uit de zin: wij bedoelen het goed of dit is toch gewoon 'normaal', we doen het altijd zo. Integriteit blijkt wanneer iemand iets zegt waardoor de vertrouwde orde even hapert. Dan is de vraag niet alleen of wij juridisch, procedureel of relationeel nog gelijk hebben. De vraag is: welke waarheid wordt hier moeilijk hoorbaar? Waarom verdragen wij deze waarneming zo slecht? Welke loyaliteit, gewoonte of positie wordt geraakt? En wat doen wij met degene die dit zegt: laten we ons door zijn woorden onderzoeken, of onderzoeken wij vooral hem?
Dat moment schuurt. Juist daarom is het belangrijk.
Als integriteit alleen geldt zolang niemand iets hoeft te laten, wordt het decor. Dan is integriteit een woord voor op papier, geen praktijk.
Waarom dit ertoe doet voor organisaties
Organisaties lopen zelden vast omdat er niet wordt gepraat. Er wordt juist eindeloos gepraat. Er zijn dialogen, evaluaties, reflecties, feedbackrondes, werksessies, intervisies en heidagen.
Wie krijgt ruimte? Wie wordt geloofd? Wie heeft voordeel bij de bestaande gang van zaken? Wanneer wordt kritiek gehoord als bijdrage? Wanneer wordt kritiek een probleem van degene die haar uitspreekt? En welke informatie kan daardoor niet gezegd en niet gehoord worden?
Dit is onderdeel van het terrein van Denkadviseren.
Denkadviseren maakt zichtbaar welke woorden, rollen en vanzelfsprekendheden bepalen wat gezegd kan worden, wat onbesproken blijft en welke kritiek als verstoring verschijnt. Dat is overigens niet hetzelfde als gelijk krijgen of gehoord worden.
Want soms loopt een gesprek niet vast omdat mensen elkaar niet begrijpen. Soms loopt het vast omdat mensen elkaar heel goed begrijpen, maar niet willen weten wat dat betekent.
Wat Denkadviseren mogelijk maakt
Denkadviseren maakt het mogelijk dat gesprekken hun vanzelfsprekendheid verliezen. Zodat woorden als openheid, veiligheid, vertrouwen, integriteit en zorgvuldigheid niet meer alleen uitgesproken kunnen worden als cliché, maar opnieuw betekenis en zin krijgen. Wat doen die woorden hier? Wie beschermen ze? Wie maken ze hoorbaar? Wie juist niet? En wat betekent dat voor wat we wel zien en wat we niet (meer) zien, wat niet meer denkbaar en zegbaar is bij ons?
Dat vraagt geen extra methode, maar aandacht voor de orde van spreken en zwijgen. Voor wat gezegd kan worden, wat alleen in de wandelgang bestaat en wat onmiddellijk wordt teruggelegd bij degene die het uitspreekt. Daar kan Denkadviseren van waarde zijn: natuurlijk niet door parrhesia te organiseren, maar door zichtbaar te maken wat er met waarheid gebeurt zodra zij verschijnt.
Daar begint het werk.

Enkele takeaways
Vrijmoedig spreken is niet vrij van moed. Juist niet. Er is moed voor nodig.
Van parrhesia is pas sprake wanneer spreken je iets wezenlijks kan kosten.
Bij parrhesia brengt de spreker niet alleen een punt in, maar ook zichzelf.
Waar niemand vrijmoedig spreekt, blijft niet alleen kritiek uit. Daar verliest een organisatie langzaam haar verhouding tot waarheid.
Een organisatie hoeft de vrijmoedige spreker niet automatisch gelijk te geven. Maar wanneer zij vooral hem onderzoekt, en niet wat hij zichtbaar maakt, sluit zij een mogelijke toegang tot waarheid af.
Vrijmoedig ontvangen vraagt de moed om niet alleen de toon te horen, maar ook de waarheid die zich daarin misschien meldt.
FAQ
Wat betekent parrhesia bij Foucault?
Parrhesia betekent bij Foucault waarheid spreken onder risico. De spreker zegt wat volgens hem waar is, terwijl hij weet dat dit gevolgen kan hebben voor zijn positie, relatie, reputatie of veiligheid.
Wat zet de parrhesiast op het spel?
De parrhesiast zet zichzelf op het spel. Soms gaat het letterlijk om zijn leven. In organisaties gaat het vaker om positie, reputatie, relatie, opdracht, toegang of de plek aan tafel.
Waarom is het woord vrijmoedig misleidend?
Vrijmoedig klinkt alsof spreken ontspannen en vrij is. Bij Foucault vraagt parrhesia juist moed, omdat spreken iets kan kosten.
Is parrhesia hetzelfde als open feedback geven?
Open feedback kan veilig en gewenst zijn. Parrhesia gaat verder. Daar spreekt iemand omdat zwijgen onwaarachtig zou zijn, ook wanneer spreken nadelige gevolgen kan hebben voor de spreker.
Waarom is parrhesia relevant voor bestuur en organisaties?
Omdat organisaties vaak zeggen dat zij tegenspraak willen, maar ongemakkelijke kritiek makkelijk verplaatsen naar toon, timing, vertrouwen, relationeel gedoe of buitensluiting buiten de bestaande orde.
Wat betekent vrijmoedig ontvangen?
Vrijmoedig ontvangen betekent dat de ontvanger niet meteen vlucht naar het afdoen van de spreker als 'buiten de orde', 'vervelend' of 'gek', maar eerst onderzoekt of het ongemakkelijke punt waar kan zijn.
Wat doet Denkadviseren met dit thema?
Denkadviseren helpt zichtbaar maken welke taal, rollen en vanzelfsprekendheden gesprekken vastzetten. Daardoor kunnen voortaan ongemakkelijke waarheden verschijnen die eerder werden vermeden, geneutraliseerd of teruggelegd bij degene die ze uitsprak. Ofwel: de oogkleppen zichtbaar maken en afdoen.
Bronnen
Foucault, M. (2001). Fearless speech (J. Pearson, Ed.). Semiotext(e).
Foucault, M. (2011). The courage of truth: The government of self and others II. Lectures at the Collège de France, 1983-1984 (G. Burchell, Trans.; F. Gros, Ed.). Palgrave Macmillan.
Foucault, M. (2020). Discourse and truth and parresia (H.-P. Fruchaud & D. Lorenzini, Eds.; N. Luxon, Trans.). University of Chicago Press.




Opmerkingen