top of page

Ben je daar? Over de liturgie van het online overleg

Bijgewerkt op: 4 jul


Daniel Rabel, Première entrée des fantômes, quatre figures, 1632. Musée du Louvre, Département des Arts graphiques, INV 32668, Recto. Beeldcredit: GrandPalaisRmn.
Daniel Rabel, Première entrée des fantômes, quatre figures, 1632. Musée du Louvre, Département des Arts graphiques, INV 32668, Recto. Beeldcredit: GrandPalaisRmn.


Online overleg oogt praktisch en seculier. Kijk iets langer en er verschijnt een liturgie, compleet met oproeping, biecht en absolutie. En met een factuur die blijft liggen.


Elke online vergadering begint als een séance. Nog voor de agenda verschijnt, buigt de kring zich over de vraag of de aanwezigen die zijn opgeroepen, werkelijk aanwezig zijn.


"Zien jullie mij?"


Eerst een naam in beeld. Dan een zwart vlak. Dan een stem zonder gezicht, met ruis, echo en wat zacht getik op een toetsenbord.


"Wacht, daar verschijnt iets."


Als het gezicht komt, blijven de randen onzeker: een hoofd tegen een virtuele boekenkast, half scherp, half uitgewist - ijl als een geest. Een hand beweegt en wordt door de achtergrond opgeslokt. Een kop koffie lost op in het algoritme en keert terug als bleek, etherisch object.


'Hoor je mij? Ben je daar?' - Het online gesprek als hedendaagse séance
'Hoor je mij? Ben je daar?' - Het online gesprek als hedendaagse séance

De host wordt medium. De link toegangspoort. De wachtkamer voorportaal. De groep luistert naar tekens uit het halfduister en wacht tot de afwezige aanwezig genoeg is om mee te tellen.



De oproeping


De eerste minuten kennen vaste formules en vaste mislukkingen. Iemand praat met de microfoon uit. Iemand zegt dat hij ons niet hoort, waarop iedereen begint te praten tegen iemand die hen niet hoort. Het overleg wacht. De kring is nog open.


"Volgens mij is iedereen er."


Een merkwaardige zin. Iedereen is er pas als de techniek dat bevestigt. Aanwezigheid is een status: verbonden, gedempt, camera uit, in de lobby.


Het online overleg maakt zichtbaar wat in elke organisatie speelt. Erbij horen vraagt toelating tot de ruimte waarin iets telt. Je naam moet in de uitnodiging staan, je stem moet herkend worden als bijdrage. Wie de link mist, mist toegang. Soms ook mandaat.


Dat klinkt zwaar voor iets dat begint met een haperende microfoon. Tot iemand ontdekt dat er al een overleg is geweest waarin het besluit is voorbereid. Dan blijkt de link ineens een bestuurlijk object. Wie binnen is, doet mee aan wat vorm krijgt. Wie buiten blijft, leest later de samenvatting.



De biecht


De kring is gesloten, de microfoons werken. Nu opent zich een tweede ruimte.


In de biecht volstaat de daad niet. De daad moet naar binnen worden gebracht. Er moet berouw komen, zwakte, een waarheid over jezelf. Pas daarna volgt vergeving. Die vorm is de organisatie binnengewandeld, met zachte stemmen en open vragen. Wie een zakelijke vraag stelt, krijgt soms eerst een andere vraag terug. Wat gebeurde er in jou?


Die vraag kan helpen. Iemand die drie vergaderingen lang naar de planning blijft vragen, blijkt soms te vrezen voor zijn eigen project. Zodra die angst op tafel ligt, is de planningsvraag in twee minuten beantwoord. Maar dezelfde vraag kan ook gaan sturen. Eerst het innerlijk tonen, dan pas mag het zakelijke punt verder.


Een managementteam, online. Op tafel een betaalde factuur voor een softwarelicentie. Datum, bedrag, omschrijving, alles keurig. De controller stelt een vraag.


"Op basis van welk akkoord is deze betaling gedaan?"


De manager bedrijfsvoering kijkt op. "Dit raakt mij. Bedoel je dat ik iets verkeerd heb gedaan?"


"Nee. Ik vraag op basis van welk akkoord de betaling is gedaan."


De directeur vouwt zijn handen en zegt: "Laten we dit zorgvuldig doen. Ik wil de vraag beantwoorden." En denkt: 'Ik wil ook voorkomen dat iemand hier onnodig beschadigd raakt.'


Dat is redelijk. Een factuur is nooit alleen een factuur. Achter een betaling zitten werkdruk, vertrouwen, haast en mandaat. Een controlepunt kan nodig zijn en toch hard aankomen.


"Wat maakt dat je deze vraag nu stelt?"


"Ik zie de betaling, maar niet het besluit."


"Ik vind dit pijnlijk," zegt de manager. "Ik heb dit gewoon netjes proberen te doen."


"Dat geloof ik. Mijn vraag gaat over de route."


"Maar je hoort toch ook wat je vraag oproept?"


"Ja. En de vraag blijft: wie gaf akkoord?"


De directeur buigt naar het scherm. Aan de rand van het beeld verdwijnt zijn hand in de virtuele kantoorwand, als de hand van een geest. "Wat gebeurt er nu bij jou?"


"Bij mij gebeurt dat ik het akkoord niet kan vinden."


"Dat is nog vrij technisch."


"Het is een technische vraag."


"Sorry dat ik je onderbreek. Je doet het nu weer. Je blijft doorgaan op de inhoud."


"De inhoud is dat er betaald is zonder zichtbaar akkoord."


"Vanuit welke plek stel je deze vraag?"


"Vanuit de jaarrekening. Vanuit de afspraak dat betalingen herleidbaar zijn."


Schilderij: Mathaus, J. (1897). De biecht van de koningin. Basiliek van Sint-Petrus en Paulus, Praag, Tsjechische Republiek.
Schilderij: Mathaus, J. (1897). De biecht van de koningin. Basiliek van Sint-Petrus en Paulus, Praag, Tsjechische Republiek.

De vergadering wordt stil. De controller voelt dat de administratieve orde hem niet zal redden. Hij moet afdalen, beseft hij, enigszins tot zijn afschuw.


"Goed," zegt hij. "Ik voelde dat ik met mijn vraag de vrede aan tafel verstoorde."


De directeur knikt langzaam, nog niet tevreden. "En wat gebeurde er in jou?"


De controller kijkt naar zijn tweede scherm en denkt: 'Wat gaat het je aan man, wat er in mijn binnenste omgaat?' Datum, bedrag, omschrijving, alles helder behalve het akkoord. Hij denkt aan eerder haastig geregel, achteraf vastleggen, de zin "we lossen het wel op". Hij heeft de betaling meteen gelezen als patroon. Misschien te snel. Misschien met reden.


"Er zat irritatie onder", zegt hij, omdat het moet.


"Dank je. Kun je daar preciezer in zijn?"


Irritatie is een begin, geen biecht.


"Ik merkte dat ik wantrouwend werd."


De manager ademt hoorbaar uit. De directeur sluit even zijn ogen. "Kijk. Nu komen we ergens."


"Terwijl ik alleen wilde weten waar het besluit stond."


"Ja," zegt de directeur zacht. "Nu horen we ook wat jouw vraag in de ruimte bracht."


Er valt een stilte, bijna gewijd.


De inhoudelijke controlevraag is gevoel geworden. Iets waar de groep mee aan het werk kan, iets dat begeleid en verzacht kan worden. De factuur blijft liggen tussen datum, bedrag en omschrijving. Wie akkoord gaf, komt later wel.



Het ware geloof: de taal die wint


Hier botsen twee taalorden. De administratieve orde vraagt naar akkoord, mandaat en vastlegging; zij denkt in herleidbaarheid. De confessionele orde vraagt naar gevoel, intentie en veiligheid; zij denkt in

zelfonthulling. Beide kunnen een gesprek zorgvuldiger maken. Gevoel kan vertragen en verzachten waar dat nodig is. Controle kan beschermen tegen slordigheid die niemand wil.


Het gaat mis zodra één orde alle andere taal gaat beoordelen. Dan krijgt de financiële vraag de status van symptoom. De controller vraagt nog steeds naar het akkoord, alleen verschijnt hij nu als iemand die wantrouwen inbrengt. Zijn vraag blijft hoorbaar maar verliest haar werking.


Niemand verbiedt iets. De vraag wordt niet weggehaald, de vraagsteller wordt herplaatst: van iemand die iets inhoudelijk controleert, conform zijn rol, naar iemand die iets moet onderzoeken in zichzelf. Zolang hij zich niet laat lezen, hoeft de organisatie zijn vraag niet te beantwoorden. Hij wordt gezien als iemand die 'moeilijk doet' en een ander, de manager bedrijfsvoering, iets aandoet door zijn 'wantrouwende vraag'. Hij houdt zich niet aan de taalcodes van de dominante orde.



De absolutie


Er is geluisterd. Er is erkenning uitgesproken. Er is gezegd dat de intenties goed waren. De gezichten ontspannen. Iemand vat samen, iemand zegt dat het goed is dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. De manager bedrijfsvoering voelt zich niet langer aangeklaagd. En om dat gevoel gaat het. De controller is teruggekeerd in de kring van redelijke mensen maar blijft zitten met het gevoel dat hem onrecht is aangedaan en zonder een antwoord op zijn vraag.


Organisaties hebben rituelen nodig om verder te kunnen. Zonder afronding blijft alles open, en openheid is vermoeiend. Mensen moeten elkaar weer kunnen aankijken, de volgende vergadering moet beginnen.


Dan volgt de heenzending. Iemand moet door naar een volgende afspraak. De tegels verdwijnen een voor een. "Kees heeft de vergadering verlaten." Gezichten worden weer namen, namen worden een lege galerij. De host blijft als laatste achter en sluit de kring. De séance eindigt zoals zij begon, met verschijningen die oplossen.


Een week later staan de notulen in de map. Bij agendapunt vier: er is een goed en open gesprek gevoerd over samenwerking en vertrouwen. De absolutie is vastgelegd, de vraag niet. Wat de organisatie zich later herinnert, is wat de notulen bewaren. Zo schrijft het ritueel zijn eigen canon.


Maar een ritueel kan iets herstellen terwijl de kwestie blijft liggen. Het overleg wordt als geslaagd ervaren. De vraag waarmee het begon is onbeantwoord. Wie gaf akkoord? Waar staat het besluit? Die vragen zijn niet verdwenen. Ze wachten. Geduldig. Administratief. In een map met bijlagen.



Het residu


Het online overleg maakt scherp zichtbaar wat elke organisatie doet: mensen oproepen, laten verschijnen, laten spreken in de juiste taal en daarna opnieuw toelaten tot de kring. Dat begint komisch, met een haperende microfoon en een koffiebeker die oplost in een virtuele boekenkast. In dat kleine gedoe toont zich een grotere orde. Soms komt het feit pas aan bod nadat het gevoel erbij is afgenomen. En wat er daarna gebeurd heet te zijn, staat in de notulen.


Wie in organisaties werkt, heeft aan alle kanten van deze tafel gezeten: de vraag gesteld, de vraag als aanval gevoeld en het gesprek zorgvuldig willen houden op het moment dat die zorgvuldigheid de vraag verplaatste. Dit stuk gaat dus niet over een type directeur, een type manager of een type controller. Het gaat over wat een kring doet zodra één taal daar de dienst uitmaakt.


Wie denkers achter deze scène zoekt, vindt Foucault over de biecht als techniek die mensen waarheid over zichzelf laat spreken, maar ook de orde van het spreken: taal die in- en uitsluit. Illouz over therapeutische taal als vorm van redelijkheid, Hochschild over regels voor wat men hoort te voelen en Fairclough over de vraag welke taal in een orde geldig is. Maar de scène volstaat. Herken het eerst in het eigen overleg van morgenochtend, lees daarna pas verder.


De vraag onder dit stuk is welke werkelijkheid in een organisatie als werkelijkheid mag gelden. De feitelijke gang van zaken, de relationele spanning, de innerlijke beweging van degene die iets agendeert? Dat antwoord zou per situatie open moeten blijven. Zodra één taal vooraf wint, raakt het overleg zijn denkvermogen kwijt. Dan is er vrede aan tafel, terwijl de factuur nog ligt waar die lag.

Opmerkingen


DENKADVISEREN - ADVISEREN BIJ ORGANISEREN - FOOTER.jpg

In organisaties wordt het gewone bijzonder
en het bijzondere gewoon.

ADRES

Bezoekadres (op afspraak):

'Villa Mollerus'

Mollerusstraat 1 

3743 BW  Baarn

CONTACT

Telefoon: 06-13330614

E-mail:  info[at]DENKADVISEREN.NL

Opleidingsbrochure Leergang Denkadviseren


Juridisch: voorwaarden, privacy, annulering, AVG
KvK 51417170

DENKADVIESBRIEF

Periodiek, gratis. Over taal, filosofie en adviseren.

 Verzonden. Dank je voor je interesse!

Volg ons:

  • DENKADVISEREN.NL op Facebook
  • DENKADVISEREN op X
  • DENKADVISEREN.NL op LinkedIN

© Denkadviseren 2026

Ontwerp & realisatie: J.C.F. Stevens

bottom of page